6
in ‘klankloos, niet levendig’ (z. nader Nl. Wb.); daarom kan Metslawiersch
dō
a
əf
(Kloosterman § 133 B) ontstaan zijn uit
dŏf
, zooals
hō
a
əf
uit
hŏf
(§ 115 Opm.); vgl.
ook
dôf
(Zuid- en Westhoek
doof
) in Fri. Wb. met
hôf
‘boomgaard, tuin’.
DOL adj. Dat
ll
in mnl.
dul
(
le
) secundair zou zijn, schijnt mij onjuist; wel is die van
dol
(
le
) dat, waarop juist
dul
(
le
) grooten invloed zal gehad hebben. Immers met
dul
komt overeen me.
dil
,
dille
,
dylle
, dat, zooals NED zegt, schijnt te wijzen op ags.
*
dyl
, *
dylle
, parallelvorm van ags.
dol
, en dus op zijn beurt wijzend op *
duljo
- naast
*
dulo
-. Z. ook de door Frank-Van Wijk bij
bedillen
vermelde vormen. Verder
Wangeroogsch
fardwîlî
‘verdwalen’: mnl.
dwelen
(vgl. voor de voc. Van Helten, Zur
Lex. des aofri. 319 en z. ook Mnl. Wb.
dwellen
); nog dre.
dwelen
‘dwalen’,
dwellucht
‘dwaallicht’,
dwîl
‘duizeling’. Bij het laatste kan men ook denken aan inwerking van
‘ijlen’, evenals bij Fri. Wb.
dwile
,
dwylje
‘ijlen (in den slaap, in koorts)’, waarbij citaat
uit de Halbertsma's: ‘dwalen, ijlend rondzien’; het is de vraag, hoe ver
dwîl
verbreid
is. In elk geval is fri.
i
phonetisch gerechtvaardigd; z.t.a.p. Voor fri. residuum houd
ik dan ook Westgron.
dwilerg
‘ijlend’, van een zieke, al kan
dwilen
ontstaan zijn uit
dwelmen
(vgl. voor de bet. Molema
dwelmerg
als syn. van
dwielerg
), of ook
dwelen
,
dwalen
, en *
ilen.
- Helgolandsch
del
‘böse, toll’ wijst niet op Uml. en daarmee op
een
u
-st.; vgl.
enər
‘onder’,
enrecht
‘onrecht’.
DOOIER. Ander suffix in nnd. (Berghaus)
eidöl
,
ei'rdööl
, oostfri.
döl
(
e
); reeds mnd.
dodel
naast
doder
; naast gron.
door
(n. naar '
t witte
, ook in 't ndl.?) bij Molema
dool
,
dole
; noordfri.
döddel
,
döll
(Helgoland echter
dedər
); Wangeroog
deidel
m.
DOOS. Met afl. uit
dŏsis
klopt ook gron.
deus
,
deuze
; vgl. den facultatieven Uml.
in ohd.
chorb
en
churb
(Kluge, Vorgesch. § 18
c
). Nl. Wb.
doos
II is in de bet. 2, nl.
in zuidndl.
oude doos
‘oude vrouw, oud wijf’, vermoedelijk hetzelfde woord; vgl. hd.
Schachtel.
DRAS besprak ik Ts. 28, 225. Waar
ts
voorkomt zal de
t
wel op associatie berusten
met bij
drijten
behoorende woorden.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Comments to this Manuals