26
in 1630), en van
oude geuzen
als eeretitel (zie b.v. C.Pz. Hooft, Memor. en adv.
162, 193, 194, 205, 262); doch anderzijds ook, met minder vleiende bedoelingen,
het gewag van
wilde geuzen
(Bredero's Sp. Brab. 1984, in den mond van den
Roomsch-Spaanschgezinden schout), van
grauwe geuzen
(Vondel's Rommelpot,
coupl. 12), en daarnaast de aanduiding van Reinier Pauw en Ds. Trigland als
geus
(Vondel's Reintje de Vos 45; Id., Haen Kalkoen 3, 12), voorts samenstellingen als
plondergeus
1)
(Haen Kalkoen 17, Haec Libert. ergo 53) en
geuzentafel
(in Vondel's
bekenden brief aan Hooft, bij Brandt, Leven v.V., ed. Hoeksma 77).
Wat echter beteekent
vesper
hier? Van Lennep zegt in zijn verklaring van den
titel (II 318): ‘Vondel neemt nu de rol van zieketrooster op zich; doch in de daad,
om hen hun vergrijp nog dieper te doen inzien, en hy luidt als 't ware de vesperklok,
om hun geweten, voor zooverre het nog slapen mocht, wakker te maken.’ Niet alleen
Unger, maar ook b.v. Weustink, in zijn Bloemlezing uit Vondel (Pantheon-ed.) I 28,
neemt deze verklaring van Van Lennep letterlijk over
2)
- doch zonder vermelding
van dezen als zegsman: een m.i. ongewenschte, en ook onlangs herhaaldelijk
gewraakte gewoonte - ze, vreemd genoeg, verkiezende boven de onderstaande
van Alberdingk Thijm, die toch zeker ook in zijne oogen voor de bepaling van wat
een
vesper
eigenlijk is meer gezag heeft dan Van Lennep!
Eerstgenoemde, Alberdingk Thijm, erkent nl. in zijn (door Unger voltooide) uitgave
(I 341) ronduit: ‘De uitdrukking “Geuzen-vesper of Zieke-troost voor de
Vier-en-twintig” weet ik niet redelijk te verklaren. De
vespers
zijn de avondpsalmen:
de
zieke-troost
is de stof der bediening van den ziekentrooster: maar dit brengt ons
weinig verder. Misschien wil Vondel zeg-
1) Nagenoeg =
plonderfiel
(Amsterd. Kakastorie 5, Otter in 't Bolwerk 15); verg. nog
plondergraeu
(Jaarget. v. Oldenb. XI),
plonderpaep
(Decr. Horr. 86).
2) Van Vloten, Doorenbos, Van Moerkerken en andere uitgevers of ‘bloemlezers’ geven, zooveel
mij bekend is, òf geen verklaring òf een aftreksel (of ook mengsel) der hierboven en beneden
genoemde uitleggingen.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Comments to this Manuals