Ansel VS211 User Manual Page 18

  • Download
  • Add to my manuals
  • Print
  • Page
    / 321
  • Table of contents
  • BOOKMARKS
  • Rated. / 5. Based on customer reviews
Page view 17
17
geweest zijn wegens de vaak zoo gespannen verhouding tusschen stedelingen en
Ommelanders. - Noopt de bet. van
goyten
dus niet tot gelijkstelling met
guten
, de
vorm doet het zeker niet; het gron. heeft slechts
guut
‘guit’ en
guteg
‘guitig’; op zijn
hoogst zou men verwijderde verwantschap kunnen aannemen indien men b.v.
*
gu-ja-tian
phantaseerde.
GOOIEN. Er is reden om dit te blijven verbinden met
gauw.
Vóór de combinatie
met
gieten
zou men lat.
fundere
en
funditor
kunnen aanvoeren; doch daar staat
tegenover het in 't Mnl. Wb. reeds opgemerkte
praecipitans
bij
praeceps
, en verder
hd.
schnellen
in de oorspr. trans. bet. Het intr. gebruik van mnl.
goyen
vindt zijn
parallel in dat van mnl.
gieten
, maar ook in het stellig met
gauw
verwante ohd.
(
gi
)
gâhen
, (
gi
)
gâhôn
‘eilen, festinare’. De vocaalverhouding is (vgl. wat Zfvs. 45,281
door Psilander wordt opgemerkt naar aanleiding van *
klêwa: klaujan
) als bij got.
têwa
en
gataujan
; vgl. ook gevallen als mnl.
cloyen
en
schoyen.
- Van den stam
van
gieten
leidt het Mnl. Wb. af
goysen
‘gutsen, stroomen’. Met het daar vergeleken
on.
gjósa
kan ablauten gron. enz.
goezen
(z. bov.
gieten
); het kunnen ook
onafhankelijke verklankingen zijn. Maar
oy
is vreemd; misschien is *
gusen
vermengd
met
goyen
, dat immers evenzeer als nnl.
guizen
,
goezen
van bloed wordt gezegd.
[Het Mnl. Wb. plaatst
goyen
onder
joyen
, behalve in: 't bloed
goyde.
Maar 't subst.
heeft constant
j
, en 't verbum alleen daar
g
, waar men het kan opvatten als ‘zaad
werpen’;
g
< fra.
j
is dan ook vreemd.]
GOOR. Gallée heeft, met de uit
au
ontstane voc.,
goor
‘vuil’ (adj.) en
goor
n. ‘lage,
drassige grond’, en in de Aanvulling:
g rig
‘zwak, een kwaal hebbende’,
overeenkomend met
görg
‘ziek’ in Garderen en Kootwijk (Onze Volkstaal I). De bet.
van het laatste is zeker geen beletsel om verwantschap aan te nemen met ohd.
gôrag
‘erbärmlich, gering, elend’; op een bet. ongeveer = ‘miserabel’ wijst ook
gorg
‘gevaarlijk ziek, zwak’ in Borkeloo (Van de Schelde tot de Weichsel I 460). Vgl. nog
voor de bet. nwfri. naast
goar
‘goor, bedorven, zuur door gisting’, ‘onfrisch, verlept,
vuil’, ‘guur’:
goarje
(spr.
) ‘sukkelen,
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Page view 17
1 2 ... 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 ... 320 321

Comments to this Manuals

No comments