
57
1. de groepeering der zinsgroepen naar rhythm. typen.
2. zoodra het
regelmatige
pronominale subject wordt vervangen door een
nominaal, ontstaat een afwijkend rhythmisch type.
II. De syntactische bijzonderheid van de achteraanplaatsing van het werkwoord
berust op een rhythmischen grond; bewijs: zoowel de zinnen van twee verzen als
van een half vers worden zoo gesplitst of geplaatst, dat er
verzen
ontstaan van het
schema ...S.... V. (...S.V.).
III. Het syntactische verschil tusschen de zinsvormen ...S.V. en ...S.... V. wordt
rhythmisch genivelleerd door de rekbaarheid der daling na de eerste heffing.
IV. De syntactisch en rhythmisch bijeenbehoorende zinsgroepen vertoonen nu en
dan een groote eenvormigheid van inhoud.
B.
Rhythmische verschijnselen:
I. Het verbum finitum draagt slechts bij hooge uitzondering een rhythmische zware
heffing.
II. Het pronominale subject is door zijn rhythmische toonloosheid uitermate geschikt
voor de plaatsing in het zinsmidden, in de rhythmische daling na de zware heffing
van den aanloop.
III. In de besproken verzen staat een substantief slechts bij hooge uitzondering in
een rhythm. daling.
IV. De syntactisch omvangrijke en rhythmisch zware aanloop is het alles
beheerschende zins- en versdeel.
V. Het getal zinnen zonder
voorslag
is zeer gering.
VI. We komen tot de volgende rhythm. typen:
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Comments to this Manuals