Ansel VS211 User Manual Page 226

  • Download
  • Add to my manuals
  • Print
  • Page
    / 321
  • Table of contents
  • BOOKMARKS
  • Rated. / 5. Based on customer reviews
Page view 225
225
‘crush, break to pieces’, ‘be crushed’, volgens Sievers
tócwýsan
‘erschüttern’. Blijkens
onder nnl. en stellig reeds mnl.
kieze
,
kies
heeft men behalve de kiezen ook de
kaken benoemd als maalsters. Hiermee samengesteld mnl.
kiesetant
komt dus
geheel met
bactand
overeen; ook de grondbet. van het eerste lid is vergelijkbaar,
z. Kluge
Backe
2
. Wangeroog
keiz
m.; ook
thûnnîngkeiz.
KIEUW. Driem. Bl. 13, 119 wordt vermeld, dat ‘kieuw’ in het Oldambt is
kaive
, in
Westerwolde
kijve
; het heeft dus ald. niet de diphthong van
nieuw
, maar die van
leeuw
,
riem
,
zeep.
In Noordhorn is
kieuw
‘kieuw’ en ‘halve onderkaak’.
KIEZEL. Aan ags.
ceosol
,
cisel
m. beantwoordt ndl.
keuzel
,
kezel
, wier verhouding
is als die van
speulen
en
spelen.
Mnd.
keselink
‘Kiesel-, Feuerstein’ (waarnaast
keser
-,
kesser
-,
kiserlink
) m. kan van een grondwoord met of zonder
l
-suffix komen.
Dat de
ie
van
kiezel
, zooals Fr.-V.W. aanneemt, op ontleening aan het hd. of limb,
berust, is ook wegens
ki·zəl
bij Van Schothorst aannemelijk, althans *
kisol
had
közəl
,
*
kisil
had
kē·zəl
moeten zijn; weliswaar kan men oorspr.
î
aannemen, evenals voor
keisel
oorspr.
ai.
Het oude
kezeling
wordt in De Jagers Arch. 1 nog voor Drente
vermeld, als collectief, terwijl voor Overijsel Nieuw Ndl. Tlm. 3 opgeeft
kezeling
, -
en
,
-
ies
‘kei, keisteen, enz.’; het tweede zeker pl., het derde pl. van 't vklw. Mnl.
keisel
(in
keisselkijn
,
keyselkijn
en in een var.), later ndl.
keizeling
kunnen berusten op
invloed van
kei
; zoo ook bij Hooft, Baeto 554, '5
in desen kejselsteen van 't overoudt
altaer
, L. Smits, Schatkamer der Ndl. Oudheden 327 (kleine)
keiselsteenen
,
Langendijk Wedz. Huwlb. 94
keizelsteenen.
(Heeft mnl.
keselesteen
(naast
keselsteen
)
e
-epenth. door analogie?) - Bovengenoemd ndl.
keuzel
,
kezel
vindt
men in Fr.-V.W. i.v.
keuzelen
met mnl.
cûse
‘knots’ in verband gebracht (nog in
Delden (Driem. Bl. 13, 9)
koese
vr. ‘knots’; ‘stok (met dik ondereind) om mee te
dorschen’; fig. Draaijer
kuze
m. en f. ‘lompe, domme, ongemanierde jongen of
meisje’; Westerwolde (Dr. Bl. 13, 126)
douterkoeze
‘lischdodde’; voor de bet. vgl.
Oldambtsch
doedhaomer
ald.). M.i. zijn veeleer beide stammen achterna
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Page view 225
1 2 ... 221 222 223 224 225 226 227 228 229 230 231 ... 320 321

Comments to this Manuals

No comments